Als een garnaal nog klein is (kleiner dan 1 cm.) leeft hij nog niet op de bodem van de zee, hij zweeft dan door het water. Hij eet dan vooral kleine plantjes en diertjes die ook in het water zweven. Deze kleine plantjes en diertjes worden plankton genoemd. Een garnaal groeit echter heel hard (na 1 jaar zijn ze vaak al 4 cm. groot) en hij leeft dan al lang op de zeebodem. Hij gaat dan ook heel andere dingen eten en gaat steeds meer op zoek naar andere kleine diertjes als voedsel. Met name als het donker is gaat hij op zoek naar kleine slijk-garnaaltjes, heel kleine schelpjes en wormen. Zelfs een dode krab of vis vindt de garnaal een heerlijke maaltijd. Ook moeten kleine garnalen en garnalen die net zijn verveld heel goed oppassen dat ze geen hongerige grote garnaal tegenkomen, want ze eten zelfs elkaar op (echte kannibalen dus). Je ziet dus dat een garnaal niet heel kieskeurig is, daarom wordt hij ook wel de grote opruimer van de (Wadden)zee genoemd. Voor een garnaal is het vinden van eten in het troebele water van de Waddenzee een heel karwei. Hij gebruikt hiervoor dan ook niet zn ogen maar vindt zijn eten door heel goed te ruiken. Een garnaal heeft niet een neus zoals veel dieren op het land maar heeft een aantal sprietjes op zn kop waarmee hij heel goed kan ruiken. Door deze sprietjes kan een garnaal er ook precies achterkomen waar de geur van een lekker hapje vandaan komt.







