Garnalen hebben geen inwendig skelet, maar een harde opperhuid (pantser). Dat biedt stevigheid en bescherming. Het pantser kan echter niet groeien, zodat de garnaal om groter te worden, regelmatig zal moeten vervellen. Het oude pantser valt af en een nieuw, groter pantser wordt aangemaakt. Onder het oude pantser wordt het nieuwe, nog zachte pantser aangelegd. De garnaal zuigt zich vol water, waardoor het oude pantser breekt en afvalt. Het duurt ongeveer zes dagen voor het nieuwe pantser hard is geworden. Daarna pompt de garnaal het water dat hij heeft opgezogen weer naar buiten. Het lichaam van de garnaal is dan kleiner geworden. Dat geeft de ruimte om te groeien. De meeste garnalen vervellen meer dan tien keer voor ze zijn uitgegroeid.
Garnalen komen in grote aantallen over de hele wereld voor, meestal in de kustgebieden. Er zijn meer dan tweeduizend soorten beschreven. Het zijn vooral vleeseters, die jagen op kleine wormpjes, slakken, vissen en schelpdieren. Alleen in het jeugdstadium worden ook algen en wieren gegeten. Een garnaal jaagt meestal s nachts. Overdag graaft hij zich in in het zand, waarbij alleen de ogen en de antennes boven het zand uitsteken.
Op hun beurt zijn garnalen een geliefde prooi van vissen, zoals wijting en kabeljauw. In de Noordzee en de Waddenzee kunnen de vissen jaarlijks wel ongeveer de helft van de garnalenpopulatie wegvangen. Dat is geen bedreiging voor de overleving van de garnaal. Het aantal garnalen is zo groot (in de Noordzee en Waddenzee ongeveer 160 miljard) dat de soort goed kan overleven. Ook de vangst door garnalenvissers heeft weinig invloed op de grootte van de populatie. Er wordt ongeveer 5% van de aanwezige garnalen jaarlijks gevangen.







